De Maarsseveense Zodden ontvangt het wateroverschot van de Grote Maarsseveense plas en in periodes van watertekort kan water vanaf de kleine Maarsseveense plas het gebied instromen. Het zoddengebied tussen de Oudedijk en de Heuvellaan krijgt water vanuit de Wilgenplas. Door deze waterhuishouding tonen de Maarsseveense Zodden een sterke gradiënt: helder en plantenrijk aan de kant van de Maarsseveense plas (het zuidoostelijk deel), troebel en weinig begroeid aan de kant van het Vechtwater. De legakkers houden deze gradiënt ‘lang’ door het toestromende water te laten zigzaggen. Het karakter van het gebied wordt vooral bepaald door brede petgaten afgewisseld door legakkers met elzen daarop. Slechts een klein en deel van het gebied (ca. 25 %) is nu eigendom van Staatsbosbeheer. Wonen en recreatie zijn naast natuur de belangrijkste functies. Recreatief wordt het gebied vooral gebruikt door de mensen die er zelf verblijven. Legakkers worden doorgestoken waardoor kortsluitingen ontstaan in de gradiënt. Het Vechtwater kan hierdoor verder binnendringen. Huishoudelijk afvalwater wordt via septic tanks geloosd. Hiervoor is een vergunning afgegeven.
Maarsseveense Zodden en omgeving (NL11_6_10) heeft watertype “matig grote ondiepe laagveenplassen” (M27) en het wateroppervlak van het waterlichaam is 58 hectare.
Het waterlichaam bestaat uit de deelgebieden:
3360-EAG-10 (Polder Maarsseveen-Westbroek, Maarsseveense Zodden), 3360-EAG-13 (Polder Maarsseveen-Westbroek, Klein Molenpolder), 3360-EAG-14 (Polder Maarsseveen-Westbroek, Taartpunt Zodden)
Het waterlichaam ligt in de provincie(s) Utrecht en gemeente(n) De Bilt en Stichtse Vecht. Het waterlichaam Maarsseveense Zodden en omgeving heeft de status Natura2000-gebied en KRW waterlichaam en is in eigendom van Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten.
De doelen
Het KRW-doel is het realiseren van een goede ecologische toestand voor Matig grote, ondiepe laagveenplassen (M27), met scores voor fytoplankton, macrofauna, waterflora en vis in het groen. De Natura2000-doelen zijn naast aquatische doelen voor kranswier, krabbenscheer en fonteinkruiden gericht op laagveenverlanding onder invloed van kwel (onder andere trilvenen, veenmosrietlanden en blauwgraslanden).
De huidige toestand vergeleken met de doelen –matig
De toestand in Maarsseveense Zodden en omgeving (zwarte lijnen in de figuur hiernaast) is matig. Het biologische kwaliteitselement met het laagste oordeel is Ov. waterflora. De slechts scorende deelmaatlat van dit kwaliteitselement is Soortensamenstelling macrofyten.
In de Maarsseveense zodden zijn in recente vegetatiekarteringen minder kranswieren en fonteinkruiden gevonden dan een aantal jaren geleden. De score op de maatlat Fytoplankton vertoont een negatieve trend (-0.51 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Waterflora vertoont een negatieve trend (-0.12 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Macrofauna vertoont een negatieve trend (-0.1 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Vis vertoont een negatieve trend (-0.52 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). Stikstof, fosfor vertonen een duidelijke dalende trend (vooruitgang) en doorzicht een stijgende trend (vooruitgang) sinds 2006, maar deze parameters zijn constant gedurende de afgelopen planperiode (2015-2020).
Oorzaken op hoofdlijnen
De oorzaak van de slechte kwaliteit is onvoldoende licht op de bodem, waardoor waterplanten niet kunnen groeien. Het water is te troebel, door een grote hoeveelheid algen en door zwevend slib. De algen zijn een gevolg van een hoge voedselrijkdom van het water. De belangrijkste bron van de plassen is het inlaatwater, lokaal de waterbodem en uitspoeling. Daarnaast spelen andere factoren een rol, zoals te veel slib, te steile oevers, schaduw door bomen. Mogelijk speelt vraat door ganzen en de uitheemse rivierkreeften ook een rol.
Maatregelen op hoofdlijnen
Maatregelen zijn gericht op het verlagen van de fosforbelasting, bijvoorbeeld door het beperken van de inlaat van gebiedsvreemd water (onder andere door het instellen van flexibel peilbeheer). Een potentieel effectieve maatregel die nu niet is opgenomen (en onderzocht) is het gebruik van een alternatieve bron inlaatwater vanuit de Nedereindsevaart. Wat in de Nedereindsevaart bevat meer macroionen, maar in de zomer wel meer fosfor en algen dan het water uit de kleine Maarsseveense plas. Staatsbosbeheer neemt ook maatregelen, zoals het verwijderen van bomen om het lichtklimaat te verbeteren en bladval te verminderen.
Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.
|
|
Productiviteit water is lokaal een probleem: De belasting ligt onder de kritische grenzen in de Maarsseveense zodden, maar in klein Molenpolder en de petgaten tegen de Bethunepolder (EAG14) bloeien de hele zomer blauwalgen. In EAG 14 levert de waterbodem ook voedingsstoffen na. |
|
|
Lichtklimaat vormt alleen een probleem in Klein Molenpolder en de petgaten langs de Bethunepolder (EAG 14). Hier valt onvoldoende licht op de bodem voor onderwaterplanten (< 4%). De oorzaak van de troebelheid van het water is voornamelijk de in de water rondzwevende deeltjes (zwevende stof). Dit zwevend stof bestaat uit levende en dode algen. In de Maarsseveense zodden valt wel meer dan 4% licht op de bodem. |
|
|
Productiviteit bodem vormt lokaal een probleem: de waterbodem is bijna overal voedselrijk (> 500mg/kg dgP) en in de Maarsseveense zodden is de waterbodem heel erg voedselrijk (>1500 mg/kg.dg). Bij deze fosfaatrijke toestand van de Maarsseveense Zodden groeit op veel locaties wel een redelijk soortenrijke vegetatie. In dit gebied komen geen woekerende waterplanten voor. Het is niet duidelijk hoe dat kan. |
|
|
Habitatgeschiktheid vormt een probleem voor fauna in EAG14 en klein Molenpolder omdat er vrijwel geen ondergedoken vegetatie staat. Schaduw door bomen, het type beschoeiing en afkalving van oevers in combinatie met een zeer beperkt ondiep areaal beperkt bovendien de ontwikkeling van emerse vegetatie. |
|
|
Verspreiding vormt geen probleem omdat de doelsoorten in de omgeving aanwezig zijn en er ook kunnen komen. |
|
|
Verwijdering vormt een probleem: vraat door ganzen is een knelpunt voor de ontwikkeling van oevervegetatie. Er zijn veel kreeften gevangen tijdens de vis- en kreeftmonitoring in dit gebied. Kreeft speelt vermoedelijk een rol bij het troebel en vegetatiearm houden van het watersysteem. Biologische verwijdering van ondergedoken waterplanten door vogels is naar verwachting geen belangrijke factor in dit gebied. Op basis van een uitdraai van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) constateren we dat er weinig vogels in het gebied aanwezig zijn. |
|
|
Organische belasting door bladinval vormt een probleem voor de kwaliteit van het watersysteem. Veel bladinval betekent veel bomen aan de oever die door beschutting de inbreng van zuurstof (reaeratie) reduceren. Bladinval moet afgebroken worden en dat kost zuurstof en levert nutrienten. Bij een hoge reaeratie is er geen probleem, bij lage reaeratie is de organische waterbodem en bladinval een probleem doordat de bodem zuurstofloos kan worden. Een zuurstofloze bodem kan leiden tot nalevering van fosfaat en toxische bodem door hoge ammonium concentraties. De inschatting is dat de reaeratie in de Maarsseveense zodden laag zal zijn, omdat er door de petgatenstructuur en de bomen weinig windwerking in het systeem is. |
|
|
Toxiciteit vormt geen probleem: er zijn geen potentiële verontreinigingsbronnen aanwezig in het gebied. |
Deze factsheet is gebaseerd op de KRW toetsing aan (maatlatten 2018) uit 2019, begrenzing waterlichamen 2015-2021, hydrobiologische data 2006-2018 en conceptmaatregelen en doelen voor SGBP3 en Nulmonitoring Noorderpark Evaluatie uitgangssituatie Oostelijke Binnenpolder Tienhoven, Westbroekse Zodden en Molenpolder (2018).
| ESFoordeel | SGBPPeriode | Naam | Toelichting | BeoogdInitiatiefnemer | UitvoeringIn |
|---|---|---|---|---|---|
|
|
SGBP3 2021-2027 | Intensivering van rietbeheer langs de oevers van plassen Staatsbosbeheer | Het gaat hier om zowel eenmalige aanpassingen als om structurele intensivering van het onderhoud. Eenmalig is nodig: oevers beschermen tegen graas, bomen verwijderen en afvoeren en infrastructuur aanleggen om intensiever onderhoud mogelijk te maken. Structureel is intensivering van beheer en onderhoud nodig, zodat opschietend hout tijdig wordt verwijderd en afgevoerd; hiervoor is een structurele uitbreiding van SNL-gelden nodig. Bomen die onderdeel van het landschap zijn, hoeven niet verwijderd te worden. We stemmen af met Staatsbosbeheer hoe deze maatregel opgepakt kan worden. | Staatsbosbeheer | 2021-2027 |
| SGBP2 2015-2021 | Baggeren t.b.v. watervegetaties en verlanding Molenpolder-West en legakkerherstel Molenpolder | LIFE+ maatregel C16: in Molenpolder Natuur is strijklengte verkort. In EAGXX is eutrofe bagger verwijderd. | Staatsbosbeheer | 2015-2021 | |
| SGBP2 2015-2021 | Beperken fosfaatbelasting rwzi Utrecht (autonoom) | Deze maatregel wordt genomen in waterlichaam Vecht, maar heeft ook een positief effect voor Molenpolder en Tienhoven en Wijde Blik. | HDSR | 2015-2021 | |
| SGBP2 2015-2021 | Maatregelen landbouw om nutrientenbelasting op de waterlichamen te beperken fase 1 | Deze maatregel wordt uitgevoerd in meerdere waterlichamen: Amstellandboezem, Vaarten Ronde Hoep, Vaarten Groot Mijdrecht, Bovenkerkerpolder, Noorderlegmeer, Groot Wilnis-Vinkeveen Zuid, Polder Demmerik, Vaarten Zevenhoven, Tussenboezem Vinkeveen a, Mijdrechtse Bovenlanden, Vinkeveense Plassen, Vecht, Vaarten Vechtstreek, Stichts Ankeveense Plassen, Kortenhoefse Plassen, Spiegelplas, Wijde Blik, Loosdrechtse Plassen, Ster en Zodden, Maarsseveense Zodden en omgeving, Molenpolder en Westbroek | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2015-2021 | |
| SGBP1 2009-2015 | Realiseren 10% minder kwel Bethunepolder | Het gaat om maatregelen die zowel voor de omliggende oppervlaktewater- als het onderliggde grondwaterlichaam van toepassing zijn. Daartoe is dit een samenwerkingsproject tussen waterschap AGV en de provincie Utrecht, onder regie van de laatstgenoemde organisatie. | Provincie Utrecht | 2009-2015 | |
| Niet opgenomen in SGBP | Herstel kanostuwen Maarsseveense zodden | Het gaat hier om herstel van een eerdere maatregel. Deze maatregel is nodig om de invloed van Vechtwater in de Maarsseveense zodden te voorkomen door een lange aanvoerroute te creëren. De stuwen zijn waarschijnlijk bewust kapot gemaakt. Om herhaling te voorkomen is een gebiedsproces nodig. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2019 | |
| Niet opgenomen in SGBP | Kwaliteitsstuw tussen Kleine Maarsseveense plas en Maarsseveense zodden | Deze stuw voorkomt dat er meer Vechtwater wordt ingelaten dan nodig voor peilbeheer in de Maarsseveense zodden. Door de stuw zal bij zakkend peil eerst water worden aangetrokken uit de grote Maarsseveense plas. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2020 | |
|
|
SGBP1 2009-2015 | Realiseren 10% minder kwel Bethunepolder | Een gebiedsbrede maatregel in alle waterlichamen | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2009-2015 |
|
|
SGBP3 2021-2027 | Instellen flexibeler peil in Maarsseveense zodden (verder uit laten zakken) | Flexpeil levert een dempend systeem op. Als het waterpeil daalt neemt de kwel in de Grote Maarsseveense Plas (GMP) toe en de infiltratie uit de Zodden neemt af en vice versa bij peilstijging. De watervraag vanuit de Vecht zal hierdoor verminderen omdat GMP nog een periode na de bui extra water kan suppleren aan de Zodden. De wens is het winterpeil te handhaven op NAP -1.25 m, zomerpeil laten uitzakken tot NAP -1.4 m. Een gedeeltelijke herziening van het peilbesluit is nodig, waarvoor we een afweging maken rekening houdend met o.a. veenafbraak en effecten op woningen. Als een flexibel peil mogelijk is, dan moet de huidige fortstuw moeten worden aangepast met een overhaal of geheel vervangen worden door een sluis. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 |
Disclaimer: SGBP3 maatregelen zijn nog niet bestuurlijk vastgesteld en kunnen nog worden gewijzigd.
Opsplitsing van Molenpolder en Tienhoven en verkleining door excluderen Nedereindsche Vaart. Dit waterlichaam is opgesplitst omdat ze eigenlijk bestaan uit meer systemen. Deze deelgebieden functioneren anders en hebben vaak verschillende watertypen. Om de huidige toestand en de verbetering of achteruitgang hierin te zien zijn nu kunstgrepen nodig (analyse en toetsing), die tijd kosten en om uitleg vragen. De inspanning qua monitoring hoeft niet gewijzigd te worden, in ieder geval niet voor wat betreft de verplichte monitoring. De inspanning voor de wat betreft maatregelen wordt ook niet anders. De richtlijn stelt: “Oppervlaktewateren kleiner dan 50 ha worden in principe niet als waterlichaam aangewezen, tenzij het waterlichaam onderdeel uitmaakt van waterafhankelijke beschermde gebieden, of onderdeel uitmaakt van het specifieke gebiedsgerichte beleid (een reden om gebieden van verschillende terreinbeheerders niet samen te voegen).” En “ Kleine wateren met een aantoonbare ecologische betekenis, hetzij van belang voor omliggende waterlichamen, hetzij van belang als onderdeel van beschermde gebieden, zouden wel als aparte waterlichamen moet worden onderkend.” De Oostelijke Binnenpolder, Molenpolder en Westbroek liggen in een Natura2000 gebied met aantoonbare ecologische betekenis.
In dit waterlichaam wordt de vegetatie 1 keer per 3 jaar gemeten. Macrofauna wordt niet gemeten, voor de KRW worden resultaten uit een ander waterlichaam getoond in formele rapportages (niet in deze factsheet) in formele rapportages (niet in deze factsheet). Fytoplankton wordt 1 keer per 6 jaar gemeten. Vis wordt 1 x per 6 jaar gemeten. Daarnaast worden maandelijks verschillende fysisch chemische parameters gemeten in het waterlichaam en het inlaatwater van het waterlichaam.
De externe P-belasting gaat verder naar beneden als gevolg van het instellen van een flexibel peil. Net als in Molenpolder resulteert het echter ook in een sterke afname van de basenaanvoer, die wenselijk is voor de ontwikkeling van verlandingsvegetaties, trilvenen en blauwgraslanden. Dit spanningsveld dient nader te worden onderzocht om het effect van flexibel peil goed inzichtelijk te kunnen maken.
Het is ook van belang te evalueren of een verhoging van het waterpeil in de Oostelijke binnenpolder een risico vormt voor een verhoogde uitspoeling van voedingsstoffen uit de percelen. Hoewel de landbodem voedselarm is kan het uitspoelingswater redelijk wat nutrienten bevatten en fosforconcentraties nemen toe sinds het peil is verhoogd. Winnie checkt in het monitoringsplan Noorderpark of alle monitoring goed opgepakt is in 2020, en levert zo nodig meetwensen aan.
Er bestaat de wens om de kaart met watervlakken te updaten, aangezien er veel is veranderd in dit gebied en dit van belang is voor de water en stoffenbalansen en beheerafspraken.
Monitoring verspreiding kwel wordt een aantal jaren (2019 t/m 2021) gemeten met EGV routing door het gebied.
Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).
Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.
Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.
Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.
Waterlichaam De waterlichamen vormen de basisrapportageeenheden van de KRW. Op basis van artikel 5 KRW zijn in 2004 Nederlandse oppervlaktewateren aangewezen als KRW-waterlichamen: natuurlijk, kunstmatig2 of sterk veranderd. Een oppervlaktewaterlichaam kan als kunstmatig of sterk veranderd worden aangewezen vanwege ingrepen in de hydromorfologie (art. 4 lid 3 KRW), die het bereiken van de Goede Ecologische Toe-stand verhinderen. In Nederland zijn vrijwel alle waterlichamen kunstmatig of sterk veranderd.
Emerse waterplanten Emerse waterplanten steken gedeeltelijk boven het wateroppervlak uit en wortelen in de (water)bodem.
Helofyten De moerasplanten of helofyten kan men vinden in vochtige gebieden, oevers, tijdelijke wateren en overstromingsgebieden. Typerend voor vele moerasplanten is dat ze zich hebben aangepast aan een droge periode (zoals het uitdrogen van een rivierbedding) en een periode van gedeeltelijke of volledige onderdompeling. Voor sommige soorten is deze afwisseling noodzakelijk voor het bestaan. Terwijl de ‘echte’ waterplanten niet in de bodem wortelen en vaak onder water kunnen leven (met uitzondering van de bloeiwijzen), wortelen de helofyten of moerasplanten in de bodem en steken gewoonlijk boven de wateroppervlakte uit.
Submerse waterplanten De term submers (ondergedoken) wordt gebruikt voor waterplanten die geheel onder water groeien. Alleen de bloeiwijze kan bij sommige soorten boven het water uitsteken.
Hydrofyten De ‘echte waterplanten’ of hydrofyten komen voor in stilstaande of traag stromende permanente meren of rivieren. Deze planten zijn aangepast aan een submers leven. Indien het biotoop uitdroogt wordt het voortbestaan van deze planten bedreigd. De wortels dienen tot verankering van de plant. De stengels kunnen tot tien meter lang worden en zijn soepel en buigbaar. De drijvende bladeren kunnen hierdoor aanpassen aan de waterstand, waardoor de lichtopname niet in het gedrang komt. Andere soorten drijven, onafhankelijk van de bodem, net onder of boven het wateroppervlak. Er bestaan dus hydrofyten met zowel een submerse als emerse groeivorm. In beide gevallen zullen de voedingstoffen hoofdzakelijk via het blad opgenomen worden.
GAF Een afvoergebied of een cluster van peilgebieden met als gemeenschappelijk kenmerk dat ze via een gemeenschappelijk punt hun water lozen op een hoofdsysteem.
EAG Ecologische analysegebieden zijn nieuwe opdelingen van de bestaande af- en aanvoergebieden (GAF’s), meestal (delen van) polders. De opdeling in EAG’s is gemaakt op basis van een aantal kenmerken zoals vorm, verblijftijd, waterdiepte, strijklengte, de aanwezigheid van kwel of wegzijging en de afvoerrichting van het water. Een EAG valt altijd volledig binnen een afvoergebied. Af-en aanvoergebieden, maar ook KRW-waterlichamen, zijn dus opgebouwd uit één of meer EAG’s.
KRW Kaderrichtlijn water
N2000 Natura 2000 De verzameling van Nederlandse natuurgebieden die in Europees verband een beschermde status genieten (Vogel- en habitatrichtlijngebieden).
EKR Ecologische kwaliteitratio, een getal tussen 0 en 1 waarmee de kwaliteit van een ecologische parameter wordt aangegeven. 0 is zeer slecht, 1 is zeer goed. De grens voor het GEP wordt gewoonlijk bij een EKR van 0,6 gelegd.
Biologisch kwaliteitselement Een ecologische groep de waarmee de situatie van het waterlichaam wordt beoordeeld. Gebruikt worden: fytoplankton en diatomeeën (algen), waterplanten, macrofauna (waterdieren) en vissen.
Maatlat Een schaal die gebruikt wordt om de situatie van een ecologische parameter te beoordelen. De uitkomst is een EKR.
Deelmaatlat Voor elk biologisch kwaliteitselement zijn één of meerdere deelmaatlattenonderscheiden op basis van de soortsamenstelling en de (relatieve) aanwezigheidvan soorten, en voor vis de leeftijdsopbouw. De uitkomst is een EKR.
Indicator Een verder opdeling van biologische deelmaatlatten. De uitkomst is in een aantal gevallen een EKR.
GEP of KRW doel De KRW heeft voor natuurlijke waterlichamen als doel dat een goede toestand (zowel ecologisch als che-misch) moet worden gehaald (GET). Voor de kunstmatig of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen moet een goed ecologisch potentieel (GEP) en een goede chemische toestand worden bereikt. Het GEP voor rijkswateren wordt afgeleid door Rijkswaterstaat namens de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat, Economische Zaken en Klimaat (en mogelijk Landbouw, Visserij en Voedselveiligheid) en gepresenteerd in het Beheerplan rijkswateren (BPRW, vastgesteld door de ministers). De provincies zijn verantwoordelijk voor het afleiden van het GEP voor regionale wateren. Dit gebeurt in regionale waterplannen. Hoewel de provincie formeel het GEP moet vaststellen in het regionaal waterplan, levert het waterschap vanwege de kennis over watersystemen meestal het GEP aan, als beheerder van het regionaal oppervlaktewaterlichaam. Beide kunnen hierbij de Handreiking KRW-doelen volgen. De KRW biedt uitzonderingsmogelijkheden waarbij het doel later (doelvertraging) of niet (minder streng doel) gehaald hoeft te worden. Alleen in het laatste geval is het GEP niet meer het doel. In deze handreiking is het GEP-synoniem voor het doel, tenzij anders aangegeven. In hoofdstuk 3 en 4 wordt het afleiden van de doelen technisch beschreven.
SGBP Naast het definiëren van waterlichamen en doelen schrijft de KRW voor dat er stroomgebiedbeheerplan-nen (SGBP) worden opgesteld (art. 13 KRW). De bouwstenen van de stroomgebiedbeheerplannen staan in de waterplannen van het Rijk en de provincies en in de beheerplannen van de waterbeheerders. De SGBP’s geven een overzicht van de toestand, de problemen, de doelen en de maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit voor de inliggende waterlichamen. Nederland kent vier stroomgebieden: Rijn, Maas, Schelde, en Eems. De beheerplannen voor de stroomgebie-den worden iedere zes jaar geactualiseerd. Volgens bijlage VII van de KRW bevatten de SGBP’s onder andere:de beschrijving van de kenmerken van het stroomgebieddistrict;de ligging, begrenzing en typering van waterlichamen (voor sterk veranderd en kunstmatig inclusief een motivering); de huidige toestand op basis van de resultaten van de monitoring over de afgelopen periode;de doelen voor waterlichamen en een eventueel beroep op uitzonderingsmogelijkheden inclusief motivering; een samenvatting van de te nemen maatregelen om de doelen te bereiken.
Watersysteemanalyse Om goede keuzes te maken voor doelen en maatregelen is het essentieel te weten hoe een waterlichaam werkt. De systeemanalyse heeft als doel inzicht te verschaffen in het systeemfunctioneren, wat via verschillende methoden bereikt kan worden. Dit vormt het vertrekpunt voor het antwoord op de vraag hoe (met welke maatregelen) kan worden gekomen tot een betere toestand. Zonder goed inzicht in het systeem-functioneren is het risico groot dat niet de juiste maatregelen in beeld zijn, of dat maatregelen uiteindelijk niet opleveren wat ervan wordt verwacht.